Voeten snerpten in het ijzige gras, op vlaktes die nog tot in de diepten waren bevroren. Een mistige waas hing rondom zes groepen gedaanten die zich angstig rondkijkend bijeen hadden gevoegd. Een onafwendbaar gure noordenwind stak langzaam, onheilspellend langzaam op. Slechts de breisels, die ternauwernood handen en hoofden bedekten, leken enigen enkele bescherming te bieden.
Er stond iets nieuws te gebeuren. Onder de donkere donderwolken zweefde een droom in de lucht. En het was niet de verwachting van ogenschijnlijk warmere seizoenen na die de barre winter anno 2005. Als bij bliksemslag kwam bij een enkeling een gedachte neerdalen die de ijspegels om hun harten deed sidderen. Een ogenblik lang was de stilte, die het gekraak van de voortschuifelende schimmen doorbrak, oorverdovend. Nooit was een roeping zo groots geweest, zo realistisch. Dapper zetten de eerste tot leven gekomen schepselen voorzichtige passen in het onbekende. Wie zouden ze aantreffen? Wie durft zich los te maken van de bevroren standplaatsen, om wederom in het heetst van de strijd te staan? Wie durft de kou te trotseren uit het verlangen naar een plek die ook het hart verwarmt?